New York in de literatuur

New York is een jonge stad, hoop en al vier eeuwen oud. Toch is er wellicht geen enkele stad die zo vaak opduikt in romans en verhalen, niet alleen als décor maar ook soms als hoofdpersonage. Met de literatuur als onvoorspelbare gids neem ik u mee op zwerftocht door mijn geliefde biotoop.

Lezen in Central Park

Ik kom uit een gezin dat niet één enkel boek bezat. Nu woon ik in een huis in New York met boeken in elke kamer. Er staat zelfs een boekenkastje naast een schommelstoel buiten onder het afdak aan de voordeur. Ongeveer de helft van mijn boeken zijn afgedankte exemplaren die ik heb gevonden tijdens mijn zwerftochten door de stad. Mijn grote trots zijn mijn ruim tweehonderd boeken over New York. Het is een bescheiden maar groeiende collectie.

In de boekenwinkel Barnes and Noble op Broadway telde ik ooit meer dan duizend titels over de stad. Tot 1997 was er een prachtige zaak in Rockefeller Center die New York Bound heette. De twee dames die ze uitbaatten, hadden een inventaris van meer dan 5000 werken over New York, van nieuw tot uiterst zeldzaam. Maar ook dat was slechts een fractie van wat er in de loop van de laatste vier eeuwen over New York is geschreven.

“Geef me zo’n shows”

“Weinig steden hebben zo veel en zo’n uitmuntende schrijvers geinspireerd als  New York”, schrijft Phillip Lopate in “Writing New York, A literary Anthology “(1998). “De literatuur van de stad is buitengewoon, zowel door zijn omvang als zijn variëteit. Bijna elke belangrijke Amerikaanse auteur ging door een New York-fase. Voeg daar de legioenen aan toe van minder bekende auteurs die zich specialiseerden in het portretteren van de stad en de ontelbare bezoekers die literaire verslagen schreven over hun verblijf.”

Robert Moses, de controversiële New Yorkse stadsplanner uit de jaren 1950, vond dat New York gewoon te groot en te complex is om gevat te kunnen worden door een enkele auteur. “Hij kan hoogstens zijn kleine eerbetuiging tonen aan iets waar hij van houdt, maar dat zijn petje te boven gaat”.

Volgens sommigen vatte niemand de “soul” van New York beter dan de dichter, essayist en journalist Walt Whitman. Zijn liefdesverklaring aan de stad, geschreven in 1867, is om van te snoepen:

Walt Whitman in 1854

“Hou je prachtige zwijgende zon, hou je bossen, je natuur, en je rustige plekken bij het bos. Hou je klavervelden, je maïsvelden en je boomgaarden, hou je bloeiende boekweitvelden waar de bijen zoemen. Geef me gezichten en straten -geef me die onophoudelijke eindeloze spoken langs de trottoirs! Geef me die oneindige ogen -geef me vrouwen- geef me duizenden makkers en lieven! Laat me er elke dag nieuwe zien -laat me nieuwe handen vasthouden, elke dag! Geef me zo’n shows -geef me de straten van Manhattan!”

 

 

Brooklyn

 

Whitman die in 1892 overleed, woonde 28 jaar in Brooklyn. Dat was toen nog een aparte stad, de derde grootste van het land. Pas in 1898 werd het deel van New York City. Zelf woonde ik in Brooklyn van 1980 tot 1985, in een wijk die Clinton Hill heet. Dat was toen een van de vele buurten met een verdiende ruige reputatie. Het flatje op Clinton Avenue waar ik woonde, koste 235 dollar per maand. De huur voor hetzelfde stekje is vandaag 2.500 dollar. Brooklyn is tegenwoordig internationaal beroemd en fel gegeerd, ook door toeristen.

Cranberry Street in Brooklyn Heights

Ik had indertijd geen idee dat ik op enkele minuten wandelen woonde van het nog steeds bestaande huis op Ryerson Street waar Walt Whitman zijn bekendste boek schreef, “Leaves of Grass”. Brooklyn heeft iets met auteurs. Brooklyn Heights, een van de mooiste wijken van New York, is de  schrijversbuurt bij uitstek. In de met bomen omzoomde zijstraten zoals Cranberry, Hicks, Pierrepont en Willow Streets zie je de buurt op haar best. Norman Mailer, Thomas Wolfe, Truman Capote, Arthur Miller, Henry Miller, H.P. Lovecraft en W.H. Auden woonden en werkten er. Andere schrijversbuurten in Brooklyn zijn Park Slope, Cobble Hill en Fort Greene. Je kunt er bewoners zoals de auteurs Paul Auster, Siri Hustvedt, Jhumpa Lahiri, Jonathan Safran Foer, Nicole Krauss, Amy Sohn en Colson Whitehead tegen het lijf lopen.

Er gaat geen dag voorbij of je kunt wel ergens in Brooklyn een auteurs-lezing bijwonen in onafhankelijke boekenwinkels zoals Word, Greenlight Bookstore en Unnameable Books of in koffiehuizen en cafés zoals Hungry Ghost, Pete’s Candy Store en Sunny’s. Het grootste literair evenement is het jaarlijkse gratis Brooklyn Book Festival waaraan honderden schrijvers uit binnen- en buitenland deelnemen.

Gezelligheid in Brooklyns Greenlight bookstore

Zoveel bekende en mindert bekende schrijvers wonen in Brooklyn dat de auteur Sergio De La Pava (A naked Singularity) in zijn bio grapte : “Sergio is een schrijver die niet in Brooklyn woont”. Bestseller-schrijver Jonathan Lethem groeide zelf op in Brooklyn maar ruilde in 2006 Brooklyn Heights voor Los Angeles omdat hij vond dat je in Brooklyn zoveel romanschrijvers tegen het lijf loopt dat het niet leuk meer is. “Weerzinwekkend”, zei hij zelfs in een interview met de Los Angeles Times.

Brooklyn is inderdaad grondig veranderd en niet voor de eerste keer. Al in 1935 schreef Thomas Wolfe:

“Only the dead know Brooklyn”.  De enige reden dat mijn Belgisch lief en ik in 1980 in Brooklyn belandden, was dat het er goedkoop was. Gelukkig had ik boeken die het ruige, gevaarlijke Brooklyn beschreven, zoals “Last Exit to Brooklyn” (1964, Hubert Selby), “The Warriors” (1965, Sol Yurick) of “Requiem for a Dream” (Hubert Selby, 1978) toen nog niet gelezen. De verhalen in Last Exit to Brooklyn spelen zich af in Sunset Park en Red Hook, twee vervallen havenwijken die nu ook volop aan een comeback bezig zijn. In Red Hook gingen we zelf op huizenjacht, nadat we in 1985 ons flatje in Clinton Hill moesten verlaten. Red Hook zag er luguber uit. In Life magazine werd de wijk beschreven als “de crack hoofdstad van Amerika”. Had ik toen maar geweten wat ik nu weet. De woning waar we toen even zijn binnen gegaan voor we ons snel uit de voeten maakten, staat er nog steeds. De eigenaar vroeg 15.000 dollar. Vandaag is het gebouw meer dan één miljoen dollar waard.

 

Literair Manhattan

Van de vijf stadsdelen -Manhattan, Brooklyn, Queens, Bronx en Staten Island- heeft het eerste ongetwijfeld het meest schrijvers geinspireerd. Het is perfect mogelijk om een vakantie te plannen rond literair Manhattan. Je kunt bijvoorbeeld zoals de karakters van Truman Capote’s boek “Answered Prayers”, enkele nachten slapen in de YMCA (nog steeds een van de goedkoopste logies in Manhattan) en vervolgens in The Pierre (nog steeds een van de duurste). Vlakbij is het Plaza hotel waar fans van The Great Gatsby (F. Scott Fitzgerald, 1925,) de sfeer kunnen opsnuiven van de Roaring Twenties. De goedkoopste kamers kosten er 600 dollar. Je kunt de voetsporen volgen van Holden Caulfield uit J.D. Salingers klassieker  Catcher in the Rye (1951) en wandelen langs het immer drukke Broadway, de indrukwekkende Grand Central Terminal, het fascinerende Museum of Natural History, de elegante Radio City Music Hall in Art Deco-stijl, de luxueuze Sutton Place en het uitnodigende Central Park. In het park kun je met de kinderen wandelen langs de Conservatory Water, het decor van de miniatuurboot-race in E.B. White’s klassieke kinderboek Stuart Little (1945).

De conservatory in Central Park

Net boven het park begint Harlem waar Toni Morrison haar boek Jazz (1992) situeerde. Het verhaal speelt zich af in de jaren 1920, een tijd van enorme creativiteit en grote omwenteling door de trek van vele tienduizenden zwarten van het zuiden naar het noorden. Ten oosten van het park ligt de chique Upper East Side, de biotoop van de hoofdpersonnages uit Tom Wolfe’s “The Bonfire of the Vanities” (1987). Die shoppen vlakbij  in het chique grootwarenhuis Bergdorf Goodman op Fifth Avenue. De winkel inspireerde “Bergdorf Blondes” (2004),het chicklit-debuut van de Britse Plum Spykes. Op enkele minuten wandelen vandaar vind je Tiffany’s, de juwelierszaak uit Truman Capote’s boek “Breakfast at Tiffany’s” (1958). De roman was de inspiratie voor de film met dezelfde titel die in 1961 de carrière van Audrey Hepburn lanceerde. Tiffany’s ligt naast de pompeuze Trump Tower wiens eigenaar hoogst waarschijnlijk nog heel wat fictie en non-fictie zal inspireren.

Ook in downtown Manhattan valt er literair veel te beleven. Ga in Chinatown eten in het iconische restaurant Oriental Garden, waar de hoofdfiguur in Pete Hamills “Forever” “separate mounds of cool shrimp and hot chicken” bestelt.  Het boek is een tour de force van 600 pagina’s waarin de geschiedenis van de stad wordt verteld aan de hand van de avonturen van Cormac O’Connor. De Ierse immigrant arriveerde in 1740 in New York. Hij krijgt het eeuwig leven op voorwaarde dat hij Manhattan niet verlaat. Het boek eindigt in 2001 na de 9/11 aanslag. Die tragedie inspireerde nog vele andere boeken waaronder Jonathan Safran Foers “Extremely Loud and Incredibly Close” (2005).

Is Chinees eten niet je ding, probeer dan een steak frites-diner in de Odeon in Tribeca. Het restaurant staat op de kaft van de Jay McInerney’s bestseller “Bright Lights, Big City” (1984). Het boek, later verfilmd, steekt de draak met de New Yorkse modewereld.

In het hartje van Downtown kom je in Wall Street, de biotoop  van de Jekyll en Hyde-bankier uit Bret Easton Ellis’ American Psycho (1991) en van Jordan Belforts “Wolf of Wall Street”(2007), twee bestsellers die ook verfilmd werden.

 

Wat hoger, in de 23ste straat tussen de zevende en achtste Avenue, ligt het Chelsea Hotel, beroemd door zijn muzikale en literaire gasten. Dylan Thomas stierf hier, Jack Kerouac schreef er “On the road” en Arthur Clarke “2001: A Space Odessey”. Andere auteurs die in dit legendarische hotel verbleven en werkten zijn  Mark Twain, William S. BurroughsSam ShepardArthur MillerGore VidalTennessee WilliamsAllen GinsbergBrendan BehanSimone de BeauvoirJean-Paul SartreThomas WolfeCharles Bukowski en, uit ons taalgebied, Jan Cremer en Henk Hofland.

Net onder Chelsea ligt Greenwich Village. Je kunt er iets gaan drinken in de White Horse Tavern, een bar die opende in 1880. De klanten waren oorspronkelijk vooral dokwerkers maar later, toen de havenactiviteiten verlegd werden naar New Jersey, werd het de stamcafé van schrijvers zoals Dylan Thomas, James Baldwin en Hunter S. Thompson. Een andere beroemde bar in the Village is McSorley’s Old Ale House in de zevende straat, een café dat al bestaat sedert 1854 en wiens naam tevens de titel is van een van beroemdste verhalen van Joseph Mitchell.

Zonderlingen

Mitchell  is een van mijn favoriete schrijvers. Hij kwam in 1929, het jaar van de grote crash, als 21-jarige van Noord-Carolina naar New York en overleed er in 1996. Met zijn verhalen over gewone mensen introduceerde hij een nieuwe soort journalistiek in The New Yorker, schreef The New York Times de dag na zijn dood. Ik herinner me het nog heel goed want uitgerekend de dag ervoor had ik “Up in the Old Hotel” uitgelezen, Mitchells verzameld werk. Ik wou dat ik de schrijver persoonlijk gekend had. Hij was het creatiefst van de jaren 1930 tot 1960. De meeste van zijn collega’s vochten om beroemdheden te interviewen maar dat interesseerde hem niet. Hij haalde meer inspiratie uit het gezelschap van zwervers, dronkaards, kleine zwendelaars,  zigeuner-waarzegsters, calypsozangers, holbewoners in Central Park, bedelaars, cafébazen, opvliegende barmannen, eigenaars van vlooiencircussen en koersende kakkerlakken, bebaarde dames en andere zonderlingen. Mitchell schreef ook met veel poëzie over het havenleven in New York, over de intussen naar de South Bronx verhuisde Fulton-vismarkt, de oestervangers van Staten Island en de mosselvangers van Long Island. Hij was gefascineerd door mensen die vis vingen, verkochten, aten en zelden over iets anders praatten. Ooit eindigde hij derde in een wedstrijd om ter meest mossels eten. Hij speelde er vierentachtig binnen. Hij beschouwde dat “als een van mijn zeldzame meldenswaardige prestaties”. Voor Mitchell bestonden er geen ‘kleine mensen’. ‘”Mensen zijn even groot als hun dromen”, zei hij. “Ze zijn even groot als jij, wie je ook bent”.

Hij werd in 1938 aangeworven door het legendarische tijdschrift The New Yorker. Hij kon het niet beter treffen. Het blad gaf zijn topjournalisten genoeg geld, tijd en plaats om zich in een verhaal vast te bijten. Mitchell pionierde een journalistieke stijl die veel navolgers kreeg. Dat hij niet veel bekender is, komt vooral omdat hij de laatste dertig jaar van zijn leven niets meer schreef dat hij anderen liet lezen.

In 1992 gaf Pantheon Books zijn verzameld werk uit. Het werd een bestseller. Mitchells boek maakte vele New Yorkse lezers -zelfs buitenlandse New Yorkers zoals ik- nostalgisch naar het New York van vroeger. Ze wilden plots allemaal een lauwe pint gaan drinken in McSorley’s Old Ale House.  Mitchells hart bleef jammer genoeg steken in het New York van voor de jaren zestig. Daarna lukte het schrijven niet meer. “Ik ben nog slechts een geest’, zei hij enkele jaren voor hij stierf, “alles is veranderd”.

 

“Een schitterende woestijn”

En toch, sommige dingen veranderen niet. Al in 1867 schreef Mark Twain deze boutade die me doet denken aan heel wat New Yorkers van vandaag: ” Na verscheidene maanden ben ik tot het besluit gekomen dat New York een schitterende woestijn is, waar een vreemdeling alleen is tussen een miljoen soortgenoten. Een mens wandelt elke dag mijlenlang door dezelfde eindeloze straat, zich een weg banend door een murmelende massa zonder ooit een bekend gezicht te zien, zonder ooit hetzelfde vreemde gezicht twee keer te zien… Elke man lijkt er te denken dat hij in een leven het werk van twee levens moet verrichten en dus haast hij, haast hij, haast hij zich en vindt hij nooit tijd voor gezelligheid, nooit tijd om te verknallen aan dingen die niets te maken hebben met dollars en verplichtingen en zakendoen. Dit maakt de stadsmens ongeduldig, achterdochtig en bang voor verveling en bemoeienissen. Het resultaat daarvan is de serene onverschilligheid van de New Yorker voor alles en iedereen die buiten zijn privé-cirkeltje staat. Er is iets in dat onophoudelijk gewoel en gehaast en gegons dat een vreemdeling voortdurend in een onnatuurlijke staat van opwinding houdt en hem rusteloos en ongemakkelijk maakt… iets dat hem dwingt alles te proberen maar hem uiteindelijk niets laat doen.”

Mocht het voorgaande u doen twijfelen om een reis naar New York te boeken dan zal deze paragraaf van John Steinbeck in de “Making of a New Yorker (1953) u misschien over de streep trekken: “New York is een lelijke stad, een vuile stad. Haar klimaat is een schandaal, haar politiek wordt gebruikt om kinderen bang te maken, haar verkeer is waanzin, haar concurrentiesfeer is moorddadig. Maar toch is dit ook waar: eens je in New York gewoond hebt en het je thuis is geworden, is geen enkele andere plaats nog goed genoeg”.

 

Dit artikel verscheen deze maand in een extra editie van Knack Weekend over New York die momenteel bij uw krantenboer te koop ligt. 

Een Keith Haring-affiche uit 1985

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertisements
This entry was posted in Brooklyn, Harlem, Kunst in NY, Midtown, Upper East Side and tagged . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s