EEN HOND IN NEW YORK

Vandaag is het precies 36 jaar geleden dat ik met man en hond van Gent naar New York verhuisde. We kwamen toe op een perfecte Indian Summer dag, het typisch heerlijk herfstweer van hier.

8 oktober 1980. Ronald Reagan droomde er toen nog van om president te worden. De bevolking van New York was teruggelopen tot 7 miljoen (tegenover een record 8,55 miljoen inwoners vandaag). De buurt waar we tot 1985 woonden, Clinton Hill, werd toen door heel wat New Yorkers als een ‘no go zone’ beschouwd. Vandaag is het een van de vele fel opgewaardeerde buurten van Brooklyn.

Het waren donkere, harde en opwindende tijden. Het was serieus aanpassen, ook voor onze hond Dante. Hieronder een sfeerbeeld  over zijn leven toen, uit mijn eerste boek “De beste straat ter wereld”’ (1998).

Dante

Dante

Dante was een legendarische hond in het Gentse. Hij ging -echt waar- zelfs alleen op café. Zijn nieuwe leven was geen lachtertje. De liederlijke vrijbuiter die keffende honden achter afsluitingen geen blik gunde, moest nu aan de leiband wandelen. Gent had zijn gevaren, maar Brooklyn had er nog veel meer.

We woonden aan de rand van een uitgestrekte, zwarte armoede-zone. Voor Dante betekende dat voetpaden en braakliggende grond vol glasscherven waar hij regelmatig zijn poten aan sneed (de invoer van statiegeld voor leeggoed in 1985 zou daar verbetering in brengen). Het betekende ettelijke confrontaties met volwassenen en kinderen die bijna instinctief bang waren voor hem, niet omdat hij er zo gevaarlijk uitzag maar simpelweg omdat hij een hond was. En een hond, zo hebben veel armen al gedurende generaties geleerd, kan je op bevel achterna zitten, naar de keel springen of je vlees aan flarden scheuren.

Leven in dit bijna-getto betekende voor Dante op een morgen op een braakliggend stuk grond in onze straat kwispelstaartend aan een valies snuffelen die het lijk bleek te bevatten van een uitgemergelde doberman. Enige tijd later ontdekte hij op hetzelfde terrein het lijk van een grote witte hond. Iemand had nog de moeite genomen om het in een deken te wikkelen.

Dante’s dieptepunt moet de dag geweest zijn waarop Gangster, de husky van een plaatselijke drugdealer, hem aanviel. “Kill him Gangster”, moedigden de dealer en zijn vrienden de hond lachend aan. Dante vocht voor zijn leven. Ik gilde hysterisch en weende. Hij bloedde uit ettelijke woonden en trilde over heel zijn lijf toen ik hem naar huis droeg.

Dante had nog geluk. Gangster viel enkele maanden later zijn speelmakker Alfonso aan, een prachtige, langharige, witte hond. Alfonso had zich dapper geweerd. Hij was er, zo dachten we, minder erg aan toe dan Dante. Maar toen Alfonso’s baasje de volgende avond thuis kwam, vond hij zijn hond dood. Een gescheurde hartspier.

Datzelfde jaar zette Gangster, weer op bevel, ook nog zijn tanden in de Duitse herdershond van een andere buur. Toen die eiste dat Gangsters eigenaar de vechtende honden zou scheiden, werd hij zelf tegen de grond geslagen.

Gangster was niet de enige bedreiging. Op het einde van de straat stonden leegstaande pakhuizen waar benden straathonden leefden. ‘S Nachts zwierven ze in meutes van tien tot vijftien door de straten op zoek naar eten en water. Confrontaties met zo’n groep konden voor een hond op z’n eentje slecht aflopen. Van mensen waren ze bang, hoe gevaarlijk ze er ook uitzagen.

Dante toch. Jarenlang deelde hij grootmoedig zijn krappe New Yorkse woonst met Flaky, onze bazige straatkat. Als een gentleman stond hij zijn bed en eten af aan tijdelijke gasten zoals Snoesje, een schat van een poes die op een nacht samen met zijn broers en zusters naast ons huis was uitgeschud. Exxonneke, een katje dat droop van de olie en stonk naar benzine toen ik het vond. Loebie, een herdershond wiens keel een bloedende wonde was toen hij mij uit een straat vol mensen uitpikte en naar huis volgde. En Puppy: ik zie hem nog staan zoals hij Dante en mij kwispelstaartend begroette toen we op een barkoude wintermorgen uit ons huis stapten:enkele weken oud, zo kaal als een knikker, bedekt met schurft en met een buikje dat over de grond sleepte. Samen met onze huisbaas hebben we hem genezen en een thuis bezorgd.

dante-4-cr-in-auto-klein

Dante was verzot op ons antieke, hemelsblauwe Volkswagenbusje. We hadden het voertuig gekocht van een lesbisch koppel in Greenwich Village. Ze hadden het uitgerust met een bed, kastjes, een wastafel, een gasvuur en een koelbox; de hoogtepunten waren de geelgeverfde houten bumpers. In de wagen zitten betekende voor Dante mogelijke tochtjes naar zee en korte maar soms ook wekenlange kampeervakanties in de bergen, bossen en woestijn. Het betekende ook de wagen verdedigen, tegen inbrekers zoals die keer toen we na een avondje uitgaan in Manhattan de autodeur wagenwijd open vonden en Dante, hoewel hij de zwerfkans van zijn leven had, trouw op wacht lag. Het mormel kon er gevaarlijk uitzien als hij ons territorium verdedigde.

Het betekende ook op een nachtelijk uur op het razend drukke Broadway achtergelaten worden, toen we even hadden geparkeerd om een krant te kopen en geen van beiden hadden gemerkt dat de hond naar buiten was geglipt. We stoven terug in onnodige paniek. Dante, de survivor, stond precies op dezelfde plaats waar we hem schandelijk hadden achtergelaten.

Dante en ik, 36 jaar geleden

Dante en ik, 36 jaar geleden

Advertisements
This entry was posted in Belgie, Brooklyn and tagged , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s