VIJFTIEN JAAR LATER

010915-N-3995K-015 New York, N.Y. (Sept. 15, 2001) -- A New York City fireman calls for 10 more rescue workers to make their way into the rubble of the World Trade Center. U.S. Navy Photo by Journalist 1st Class Preston Keres. (RELEASED)

Foto Preston Keres

Morgen is het vijftien jaar geleden dat de Twin Towers uit de NewYorkse skyline verdwenen. Bij wijze van herdenking staat hieronder het stukje dat ik die dag schreef, gevolgd door mijn column van een jaar later, op de eerste verjaardag van 9/11.

WAT IK ZAG

Wat een glorieuze dag om naar het strand te gaan denk ik terwijl ik haastig naar de supermarkt op vijf minuten van mijn huis in Staten Island stap. De zon straalt in een helderblauwe hemel. Het is vooraan in de twintig graden ook al is het nog maar kwart voor negen ‘s ochtends. Net als ik de parking van de winkel opstap, hoor ik een luide, korte explosie. “Kijk!”, roept een man naast me terwijl hij wijst in de richting van Manhattan. Ik zie een gigantische zwarte wolk opstijgen boven de skyline. “Dat zal een serieuze brand worden”, zeg ik. “Er zijn twee vliegtuigen tegen het World Trade Center gevlogen”, hoor ik iets later een man opgewonden zeggen tegen een vrouw bij de groenteafdeling. Sommige mensen hebben toch nog al een fantasie, denk ik terwijl ik een glimlach onderdruk. “Luister”, zegt de man terwijl hij zijn vinger in de lucht houdt. “We herhalen”, galmt een krakende radiostem door de winkel, “enkele minuten geleden zijn er twee vliegtuigen, kort na elkaar, tegen het World Trade Center gevlogen. We raden u dringend aan om uit het Financial District weg te blijven om de reddingsoperaties niet te bemoeilijken… “Holy shit!” gilt een meisje, “mijn moeder werkt daar!” Ze spurt naar de uitgang, een half volgeladen boodschappenwagentje achterlatend. “Niet één maar twee vliegtuigen”, zegt een winkeljongen tegen de collega met wie hij fruit aan het schikken is, “dat is geen ongeluk maar een terroristische aanslag”. Ik vrees dat hij gelijk heeft. Nog geen 24 uren geleden reed ik in een metrotrein onder het World Trade Center. Honderdduizenden mensen doen elke dag hetzelfde. Meer dan vijftigduizend mensen werken in de twee torens. “De toppen van de gebouwen zijn volledig weg”, zegt de radiostem duidelijk aangedaan. Als ik buitenkom reikt de gigantische rookpluim al een heel stuk boven Brooklyn. Verschillende helicopters zoemen in de lucht. Ik hoor onafgebroken sirenes. Op de parking staat een groep mensen in stilte naar de rook te staren. Een autoradio geeft luid verslag van de chaos op enkele kilometer aan de overkant van de baai. “Ik heb lang in het World Trade Center gewerkt”, zegt mijn buurman Anton die er blijkbaar vanuit gaat dat ik het nieuws al weet, “het is een ratteval als het daar brandt”. Mijn buurvrouw mevrouw Bellamy wordt net door twee van haar kinderen in haar wagen geholpen. “Mijn zoon Gerald werkt op het zeventiende verdiep van het World Trade Center”, snikt ze. “U gaat toch niet naar Manhattan”, zeg ik, “alle bruggen en tunnels zijn gesloten.” “Nee”, zegt ze, “we gaan geld van de bank afhalen. Er zijn nu ook aanslagen in Washington. Er kan van alles gebeuren.” Thuis zit mijn vriend en collega voor de televisie. “Enkel CNN werkt op dit ogenblik”, zegt hij. De telefoon gaat. De Vlaamse Televisie vraagt een verslagje. Iets later belt iemand van de radio met hetzelfde verzoek. Enkele minuten later stort de zuidelijke toren van het World Trade Center in. “Dit wordt de grootste terroristische aanslag aller tijden”, zegt mijn vriend. De twee Belgische tienermeisjes die bij ons op vacantie zijn, zitten verslagen op de sofa naar de chaos op de televisie te kijken. Hun plan om vandaag Soho te bezoeken, mogen ze wel vergeten. “Ik fiets even naar de baai”, zeg ik. De weg langs het water lijkt wel een parking. Mensen staan boven op hun auto’s door verrekijkers te turen. Anderen nemen foto’s. Overal bleiren radio’s. Op een pier in het water naast het veer naar Manhattan zit een vrouw op haar knieen te bidden. Een man staart naar de bijna zwarte skyline terwijl hij zijn tranen wegwrijft. “Daar gaat de tweede toren!” tiert een man. “Wat een godverdomde schande”, brult een andere. Het zicht is onwezenlijk. De toren die ik al twintig jaar bijna dagelijks zie verpulvert onder mijn ogen.Verschillende mensen wenen luid. “Dat is het werk van buitenlanders die vinden dat Amerika veel te arrogant is”, zegt een dik zwart meisje zonder emotie in haar stem. Ondertussen heeft een veerboot aangelegd. Duizenden mensen stromen er uit alsof het al spitsuur is. Velen houden elkaars hand vast of hebben hun armen over elkaars schouders geslagen. Ik heb nog nooit zoveel New Yorkse mannen zien wenen. “Toen ik de eerste explosie hoorde, heb ik me uit de voeten gemaakt”, zegt een jongen die aan het werk was in de keuken van de Marriot vlakbij het WTC. Honderden brandweermannen en ambulanciers stappen op een andere ferry die hen naar Manhattan zal brengen.  De vraag wanneer de volgende passagiersferry naar Manhattan vertrekt, kan niemand beantwoorden.

sept-11-iconic-images_dayh

GENOEG

Negen uur, de avond van 11 september 2002. Ik ben alleen omdat ik alleen wil zijn. Door mijn raam zie ik de skyline van Manhattan schitteren aan de andere kant van de baai. Het lijkt alsof in elke wolkenkrabber alle lichten aan zijn vanavond. Misschien zijn ze dat ook wel. Uitbundig verlichte, ijskoud-gekoelde gebouwen voor een handvol bewakers, schoonmakers en overuren kloppend kantoorpersoneel. Een uur geleden liep ik er nog tussen. Nu ben ik alleen. De radio en tv zwijgen: ze hebben toch maar enkel over wat ik eerder op de dag gezien heb. Normaal hou ik van downtown in het donker. Er zijn veel minder auto’s en mensen. De -voor New York- smalle straten horen me toe, zoals in geen enkel ander deel van de stad.

Behalve vanavond. Een uur geleden stapte ik er uit de metro. Op een na waren alle uitgangen door de politie om veiligheidsredenen versperd. Met de rest van de massa schuifelde ik voetje voor voetje naar boven. Een vrouw vlak voor me hield een rouwkrans voor zich uit. Links, gedrumd tegen mijn blote schouder, stonk een brandweerman met een grijze walrussnor naar alcohol. Toen we bovengronds kwamen, bleek Broadway ook versperd door politiebarricaden. “Ik wil naar huis”, kermde een kouwelijk meisje in een dun wit bloesje. Al heel de dag waaide er een felle wind. Boven ground zero wervelde opnieuw een stofwolk. Het zand kleefde aan mijn huid. De mensen die uit de metro stroomden waren haastig, op weg naar huis. Maar we moesten weer aanschuiven, ons een weg banen door een dichte massa die vanop het voetpad naar een podium aan de overkant van de straat in Battery Park stond te staren. De zoveelste ceremonie van de dag was aan de gang. Ik bleef niet staan kijken, ook ik wou naar huis. Eindelijk had ik me door het mensenkluwen gewurmd. Ik passeerde langs een lange rij televisietrucks. Sommige stonden daar al twee dagen op voorhand. “Ik hoop dat ze morgen allemaal weg zijn”, zuchtte een man achter mij. Ik was het roerend met hem eens. Had het van mij en veel andere New Yorkers afgehangen dan zou alles zijn gewone gang zijn gegaan vandaag. Geen internationale pers die al dagenlang vanop de daken rond ground zero uitkeek naar voorspelbaar nieuws. Geen afgesloten straten want daar heeft downtown in het afgelopen jaar al zijn part van gehad. Geen lawine van herdenkingsplechtigheden en zeker geen bezoek van Bush.

Heel even ving ik in de vooravond een televisieglimp op van hem en zijn in het zwart geklede vrouw toen ze arriveerden in ground zero. Het waren de enige televisiebeelden die ik vandaag gezien heb. Ik zag ze in de kelder van het Marriott-hotel op Lexington Avenue waar de NOS-radio vanuit een tijdelijke studio non-stop verslag uitbracht van “de verjaardag”. Ik schrijf dit laatste wat schamper al speelde ik het spel mee door er aan tafel te gaan zitten met  twee andere gasten, de ene voor de gelegenheid overgebracht uit Michigan, de andere uit Hartford. Arnon Grunberg kreeg het laatste woord in het programma. Het was toen vijf voor middernacht in Nederland. “Iedereen ligt daar nu in bed”, zei een van de gasten, “het maakt allemaal niets uit wat we zeggen.” Toen de microfoons waren afgezet en de twee vermoeide journalisten die ons hadden geinterviewd waren opgestaan, begon ons gesprek interessant te worden. De twee professoren, een Nederlander en een Amerikaan, waren net als ik niet erg hoopvol gestemd. Wat wil je met een piepkuiken van een havik als president die kost wat kost andermans kinderen een nieuwe oorlog wil insturen. En die een klimaat van angst in stand houdt waarin het beknotten van burgerlijke vrijheden stilaan normaal lijkt. Zelfs zonder die nieuwe zorgen zal New York misschien een generatie nodig zal hebben om de klap van vorig jaar te verwerken. “Wanneer was u laatst in ground zero?” vroeg een van de journalisten aan elk van ons. Van de anderen was het al een tijd geleden. Ik was er die ochtend nog geweest. Ik had alle officiele persinvitaties van de laatste weken afgeslagen. In een opeengepakte kudde journalisten naar de rituelen van de hoogwaardigheidsbekleders kijken was het laatste wat ik verlangde.

Ik wist al maanden wat ik deze ochtend ging doen. Waar ik niet op voorbereid was, was de zenuwachtigheid die me overviel toen ik ‘smorgens opstond. Halfacht. De zon scheen even fel als die ochtend een jaar geleden. Dezelfde hond van dezelfde buren blafte. Dezelfde radiostem las het nieuws voor. Kwart voor acht. Acht uur. Het was opnieuw 11 september vorig jaar alleen wist ik nu wat er ging gebeuren. Mijn maag deed er pijn van. Kwart na acht. Halfnegen. Om kwart voor negen stapte ik op de overzetboot van Staten Island naar downtown Manhattan. De honderden passagiers deden wat ze altijd doen: kranten lezen, koffie drinken, zich nestelen om nog wat te soezen. 8u46: het tijdstip dat het eerste vliegtuig tegen de noordtoren ramde. Met twintig stonden we op het voordek in het harde ochtendlicht naar de skyline te staren. Niemand sprak. Af en toe keek iemand op zijn uurwerk. 9u02: het exacte moment dat het tweede vliegtuig zich in de tweede toren boorde. Een man legde zijn hoofd op de schouder van de vrouw naast hem. Nog steeds zei niemand een woord. Acht minuten later gingen we aan wal. Wat mij betreft was de herdenking afgelopen.

Op elke verjaardag van 9/11 worden twee zuilen van laserlicht geprojecteerd van op de plaatsen waar de Twin Towers stonden (foto Vergara)

Op elke verjaardag van 9/11 worden twee zuilen van laserlicht geprojecteerd van op de plaatsen waar de Twin Towers stonden (foto Vergara)

Advertisements
This entry was posted in Downtown, Staten Island and tagged , , . Bookmark the permalink.

2 Responses to VIJFTIEN JAAR LATER

  1. Sabine says:

    Wat heftig om daar zo dichtbij te zijn, om het allemaal te zien gebeuren. Ik weet nog precies waar ik was op dat moment, en ook elk jaar weer met de herdenking krijg ik er de kriebels van. Dit is echt iets dat niemand ooit kan vergeten en iets dat de hele wereld heeft veranderd.

  2. BB says:

    Kippenvelmoment – mooi verwoord – ik ben zo vergeetachtig, maar die dag weet ik nog heel goed waar ik was toen ik het nieuws vernam, thuiskomen, tv aan en verslagen toekijken vol ongeloof – mijn dochter woont nu in NY – klinkt misschien banaal, maar voel extra verbondenheid en hoop dat ze nooit van dichtbij zoiets moet meemaken

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s