WELKOM

Welkom op mijn blog. Mijn naam is Jacqueline Goossens. Ik  ben afkomstig uit Maldegem (Oost-Vlaanderen) en woon sinds 1980 in New York. Ik ben journaliste, schrijfster en stadsgids.

Klik hierboven op “About” voor meer uitleg over deze blog. Klik op “Rondleidingen” als u geinteresseerd bent om met mij te voet of per fiets New York te verkennen, en op “Boeken” als u meer wil weten over mijn reisgidsen en andere boeken.

Op deze blog verschijnt elke zaterdag een nieuw stuk, vaak met eigen foto’s, over New York in al zijn aspecten.

Veel leesplezier en tot in New York!

foto Bart Michiels

Foto: Bart Michiels

Posted in Uncategorized | Leave a comment

GESCHIEDENIS VAN ONDERUIT

HOWARD ZINN BLIJFT ACTUEEL, OOK IN HET TRUMP-TIJDPERK

Howard Zinn, enkele jaren voor zijn dood in 2010

 

Gast-artikel door Tom Ronse

Het gebeurt maar heel zelden dat van een boek over geschiedenis meer dan twee miljoen exemplaren verkocht worden. Howard Zinn presteerde het met zijn “People’s History of the Unites States”. De klassieker die in 1980 verscheen en later aangevuld werd, gaat nog steeds vlot over de toonbank. De verkiezing van Donald Trump zorgde voor een nieuwe verkoopstijging. Men kijkt naar het verleden om het heden te begrijpen. Voor EPO is het dus een goed moment om Zinns magnum opus in het nederlands heruit te geven.

 

In EPO’s uitgave is het boek getiteld: “Geschiedenis van het Amerikaanse volk”, wat me een slechte vertaling lijkt. Nog afgezien van het feit dat Amerika en de VS niet hetzelfde zijn, tenzij men de rest van het continent als de achtertuin van Washington beschouwt, lijkt de term “het Amerikaanse volk” hier misplaatst. Want Zinn benadrukt juist dat het “het Amerikaanse volk” met gemeenschappelijke nationale belangen niet bestaat, dat het “een verzonnen identiteit” is, dat de rode draad doorheen de geschiedenis van zijn land een radikale tegenstelling van belangen is, tussen de rijken en hun staat en de rest die wordt uitgebuit en tegen elkaar opgezet. Termen als “het Amerikaanse volk”, “We, the people”, dienen om dat te verdoezelen.

Wat Zinn met zijn “People’s History” beoogde was geschiedschrijving van onderuit. Vanuit het standpunt van de gewone mensen, de slaven, het werkvolk, de soldaten, de huisvrouwen, de pachters, in plaats van de presidenten, diplomaten en generaals centraal te stellen. Zoals bv. LP Boon deed in zijn Geuzenboek.

Zinn was niet de eerste die de gevestigde geschiedschrijving op de helling zette. Hij putte gretig uit het werk van anderen. Maar hij leverde wel een indrukwekkende synthetische prestatie door zoveel research samen te brengen in een meeslepend, vijf eeuwen omvattend verhaal.

 

Partijdig

Natuurlijk kwamen er bakken kritiek. Men verweet Zinn dat hij bevooroordeeld was, niet objectief, eenzijdig, partijdig. In zijn nawoord replikeert Zinn dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. “Ik begreep al snel dat een historicus (net als een journalist of iedereen die een verhaal vertelt) gedwongen was om uit een oneindig aantal feiten te kiezen. Wat vermelden? Wat niet? Ik be­sefte dat het antwoord op die vragen onvermijdelijk, bewust of onbewust, de interesses van de historicus zou weerspiegelen (…) Achter elk feit dat wordt aangehaald schuilt een oor­deel. Het oordeel dat zich achter die keuze verschuilt, is dat het aange­haalde feit belangrijk is en dat andere feiten die onvermeld blijven niet belangrijk zijn.”

Zinn geeft grif toe dat hij partijdig is; dat zijn visie gekleurd werd door zijn eigen ervaringen. Hij groeide op in een immigrantengezin van arbeiders in New York, werk­te drie jaar op een scheepswerf en deed zijn militaire dienst bij de VS-luchtmacht tijdens WO II. Daarna studeerde hij geschiedenis. Terwijl hij doceerde aan universiteiten in Atlanta en Boston was hij actief betrokken in de beweging voor zwarte burgerrechten en het protest tegen de oorlog in Vietnam. Vanuit die ervaringen koos hij voor een geschiedschrijving “van onderuit” die resoluut partij kiest voor de onderdrukten. Over de kritiek daarop schrijft hij: “Ik lig daar niet wakker van: de verpletterende berg geschie­denisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken.”

Zinns voornaamste kritiek op de “ortho­doxe geschiedschrijving” is dat ze de geschiedenis beschrijft als het werk van “grote mannen”: de “Founding Fathers” die de republiek stichtten, Lincoln die de slaven bevrijdde, FDR die de depressie en de nazi’s overwon, enzovoort. Heldenverering die de burgers leert te vertrouwen in een “redder in nood” om hun problemen op te lossen, die burgerschap reduceert tot “om de vier jaar in een stemhokje een redder kiezen”. Dat idee van “redder in nood” zit volgens Zinn “ver­ankerd in de hele VS-cultuur. Men leert ons bewondering aan voor vedetten, leiders en experts in zowat alle domeinen.” Maar toch vooral in de politiek. De kiescampagne van Donald Trump was er gebaseerd op.

Ondanks de kritiek wordt Zinns “People’s History” vandaag gebruikt als studieboek in tal van Amerikaanse scholen en universiteiten. Van rechterzijde worden nog steeds pogingen ondernomen om dat te verbieden. In Arkansas werd nog dit jaar daartoe een wetsvoorstel ingediend. Het werd niet goedgekeurd en leverde het boek nog wat extra-publiciteit op.

 

Spannende films

Geen verrassingen wat de teneur van Zinns verhaal betreft. Sinds Columbus in 1492 voet aan wal zette in wat voor hem de nieuwe wereld was tot vandaag, was en is winsthonger de drijfveer voor de ontwikkeling van wat nu de USA is. Racisme, nationalisme, imperialisme, oorlogszucht waren en zijn er onvermijdelijke bijproducten van. Maar er is ook het vaak verzwegen verzet van “the ordinary people”, die in hun strijd om te overleven de kiemen dragen voor een nieuwe, menslievende maatschappij.

De grote lijnen zijn bekend maar dat betekent niet dat het verhaal vervelend is. Voorspelbaarheid is niet altijd een hinderpaal voor de lezer. Neem nu Stefan Hertmans’ terecht bejubeld boek “Oorlog en terpentijn”: Je weet op voorhand dat het hoofdpersonage gruwels zal doorstaan in de fabriek en aan het front. Wat het verhaal onweerstaanbaar maakt, zijn de details die het tot leven brengen. Details die een empathische band weven die de lezer niet loslaat .

Ook Zinn slaagt daarin, vooral in de eerste twee derden van zijn omvangrijk boek. Die bevatten genoeg materiaal voor een hele rits spannende films. Al in het eerste hoofdstuk, over de komst van de Europeanen, belanden we in een griezelfilm die je haar doet rechtstaan. Maar het is ook een aangrijpend drama, waarin een mooie, egalitaire beschaving meedogenloos wordt verpletterd door tomeloze bezitsdrang. Zoals gezegd, het zijn de details die verbijsteren en ontroeren. De orthodoxe geschiedschrijving herleidde de geschiedenis van de VS volgens Zinn tot een geschiedenis van blanke mannen. Zinn daarentegen besteedt grote aandacht aan de rol van de oorspronkelijke bewoners (indianen), van de (als slaven geimporteerde) zwarten, van vrouwen en immigranten.

Maar ook over het leven van de blanke kolonisten in de 17de en 18de eeuw vertelt hij boeiend. Al in het prille begin stond de winst centraal. Jamestown, de eerste kolonie, verging haast door hongersnood –om te overleven in een harde winter, aten de mensen letterlijk stront en lijken- omdat men liever winstgevende tabak kweekte dan levensmiddelen. Het was de periode waarin de Engelse landbouw op kapitalistische leest werd herschoeid, waardoor massa’s mensen hun bestaansmiddelen verloren. Velen van hen werden naar noord-Amerika verscheept als “contractwerkers”. In EPO’s vertaling worden die vaak “bedienden” of “dienstboden” genoemd maar dat is enigszins misleidend. Feitelijk waren het tijdelijke slaven. Acht of negen jaar lang konden hun meesters hen behandelen en mishandelen naar goeddunken; daarna kregen ze een kleine som en konden ze pachter worden op het land dat de machtigen hadden ingepalmd. Zo onstond een blank proletariaat dat het niet zoveel beter had dan de zwarte slaven. Blanke en zwarte armen leefden en werkten samen. Volgens Zinn was de nachtmerrie van de elite dat de drie onderdrukte categorieen –de blanke proleten, de zwarte slaven en de indianen- samen in opstand zouden komen. De verstandhouding tussen die groepen was vaak goed; er was geen natuurlijk racisme. Dus moest het gekweekt worden. Een kloof van raciaal misprijzen was nodig om ze uiteen te houden. Interraciaal contact werd illegaal, onzindelijk en zondig.

Racisme als dominante ideologie verhief ook de arme blanken boven de anders gekleurden. Het gaf hen iets om trots op te zijn. Hun verzet tegen de afschaffing van de slavernij en later tegen gelijke rechten voor zwarten, kwam voort uit de angst om zelf onderaan de sociale ladder te belanden, met niemand die het nog slechter had. Politici hebben die angst handig uitgebuit, zoals Zinn illustreert. Hun argumenten doen vaak denken aan deze die Trump gebruikte in zijn kiescampagne.

Andrew-Jackson

Een sprekend voorbeeld van zo’n politicus was Andrew Jackson die president werd rond de tijd dat België onafhankelijk werd. Zijn portret prijkt nog steeds op de briefjes van 20 dollar. Net als Trump was Jackson schatrijk (hij bezat honderden slaven) en werd hij verkozen door zich voor te doen als de anti-politicus, de man van het volk die Washington eens zou schoonmaken. Net als Trump was hij gul met beloften die hij niet kon of wou inlossen. Net als Trump gebruikte hij rassenhaat (in zijn geval gericht tegen de indianen) als verdeel-en heerstechniek. Zinns relaas over hoe Jackson de indianen beloog en bedroog, vermoordde en verjoeg, is hartbrekend.

 

De legendarische Wobblies

Een ander verhaal dat een film waard is, gaat over de in 1905 gestichte vakbond IWW (Industrial Workers of the World). Vakbond is eigenlijk niet het juiste woord want de IWW verweet de andere vakbonden dat ze de arbeiders per vak verdeelden. De ‘Wobblies”, zoals IWW-ers genoemd werden, waren voor één grote, zelfs wereldwijde arbeidersbond. Ze waren anti-nationalistisch, anti-racistisch, anti-sexistisch en vooral anti-kapitalistisch. Stakingen waren voor hen slechts “oefeningen” voor de finale omverwerping van het kapitalisme. Het was een vakbond zonder bureaucratie maar met kleurrijke leiders als Joe Hill en ”Big Bill” Haywood. Het was een tijd van harde klasseconflicten. Van alle groepen was de IWW de meest strijdbare. Ze werd dan ook meedogenloos vervolgd. De Wobblies kregen spreekverbod, hoewel de grondwet het recht op vrije meningsuiting garandeert. Dat verbod lapten ze aan hun laars wat tot massale arrestaties leidde. In Fresno puilde de gevangenis uit. In hun cellen zongen de Wobblies strijdliederen en gaven ze, door de tralies, toespraken voor het toegestroomde publiek. Toen ze weigerden daarmee op te houden, werd de brandweer ingezet. “Krachtige waterstralen werden op de gevangenen gericht, maar die gebruikten hun matras als schild. De rust keerde pas weer toen het ijskoude water in de cellen op kniehoogte stond.”

 

De Wobblies zongen graag. Ze hadden vele strijdliedjes. Sommige, zoals Joe Hills “Rebel Girl” werden later in het nederlands vertaald door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten. In 1912 speelde de IWW een cruciale rol in een staking in Lawrence die zich uitbreidde naar alle textielfabrieken van die stad. Toen de eigenaars de stakers probeerden uit te hongeren, organiseerde de IWW “kinderkonvooien”: de kinderen van de stakers werden ondergebracht bij sympathisanten in Boston en New York. Dat werd verboden, zogezegd om de kinderen te beschermen. Toen de IWW toch een nieuw konvooi organiseerde werd het in het treinstation door de politie uiteengeranseld, kinderen inbegrepen.

Pas tijdens de tweede wereldoorlog slaagde de overheid erin om de IWW, die tegen de oorlog gekant was, te isoleren. Op basis van valse beschuldigingen werden de leiders tot lange celstraffen veroordeeld. De IWW bestaat nog steeds maar haar glorietijd is al lang voorbij.

 

Minutieus portret

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele menselijke verhalen die dit boek bevolken. Maar naarmate we dichter bij het heden komen, verliest het relaas spankracht. Vooral in de later toegevoegde hoofdstukken, over de periode 1980-2005, vergeet Zinn een beetje zijn leitmotiv: hij heeft het vooral over de politici in Washington; de stemmen van het gewone volk komen veel minder aan bod. Als overzicht van de recente periode valt er bovendien wat op aan te merken. Elk Washington-schandaal wordt uitgeplozen maar belangrijke aspecten, zoals de digitale revolutie en de rol van de “war on drugs” als instrument om raciale verdeling te zaaien, ontsnappen aan Zinns aandacht.

Toch is dit boek een aanrader. Zoals David Van Reybroucks “Congo” schildert het een minutieus portret van een land dat inzicht verschaft in de gebeurtenissen van vandaag. Zo helpt Zinns analyse van de specifieke historische vormen die racisme en nationalisme in de VS namen, begrijpen hoe een man als Trump er president kon worden. Ook illustreert zijn boek duidelijk dat het nu zo druk besproken “Fake News” (nepnieuws om de politieke situatie te beinvloeden) allerminst een nieuw fenomeen is.

De EPO-uitgave bevat een interessant voorwoord van oud-VRT journalist Johan Depoortere. De vertaling kan ik niet zonder meer prijzen. Ze is vlot leesbaar maar de vertaler veroorloofde zich te veel vrijheid. Het is beter, uit respect voor de auteur, om dichter bij de originele tekst te blijven. De vertaler spande zich ook in om elke gedichtje of songfragment (en er zijn heel wat) in rijmend nederlands om te zetten (zelfs als het niet rijmt in het engels). Was dat nodig? Het is meestal erg goed gedaan maar de noodzaak om het te doen rijmen dwingt soms tot kunstgrepen die ons ver van het origineel verwijderen. En er zijn fouten. De “secretary of State” is niet de minister van Binnenlandse Zaken. East St. Louis is niet “het oosten van St. Louis” maar een aparte stad. Ook is het moeilijk te begrijpen hoe, in een heruitgave, nog heel wat typfouten en mank vertaalde zinnen overeind blijven. Valt het geen redacteur op dat bv. de eerste zin van hoofdstuk 11, “1877 kondigde de 19de eeuw al aan”, onzinnig is? Had er nu nog de 20ste eeuw gestaan. In de oorspronkelijke tekst staat: “In het jaar 1877 werden de signalen gegeven voor de rest van de eeuw” (mijn letterlijke vertaling).

Maar dat zijn schoonheidsfoutjes die de leesbaarheid van dit boek niet wezenlijk ondergraven.

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , , | 2 Comments

“NIET OP MIJN EILAND”

 

Intense discussies in de VS over publieke gezondheidszorg zijn niets nieuws. Een bescheiden nieuw monument op Staten Island op een heuvel, op enkele minuten wandelen van de ferry terminal, illustreert hoe verhit de gemoederen ook al in de 19de eeuw waren. Een eenvoudige witte symbolische grafzerk en naambord herdenken de duizenden patiënten van het Marine Hospital Quarantine die tussen 1799 en 1858  op deze plek werden begraven. Het waren tijden van immense immigratie-golven uit Ierland, Duitsland, Engeland en andere Noord-Europese landen. Gezondheids-inspecteurs vaarden de schepen tegemoet in de baai van New York. De bemanning en passagiers werden gecontroleerd op besmettelijke ziekten zoals cholera, tyfus, gele koorts en pokken. Een enkele zieke volstond om iedereen af te zonderen in het Marine Hospital Quarantine op Staten Island. De hoop was dat de verse lucht en de zon op het eiland de zieken konden genezen. De plaatselijke bevolking protesteerde al van in het begin tegen de aanwezigheid van het hospitaal. Tijdens het hoogtepunt van de hongersnood in Ierland, 1847 tot 1848, werden er 8000 mensen verzorgd.

In die periode overleden ook 30 Staten Islanders aan gele koorts. In 1856 stierven nog eens 11 Staten Islanders aan dezelfde ziekte. Het moeten bange tijden geweest zijn voor de patiënten van het Marine Hospital. De omwonenden werden steeds bozer. Op de nacht van 1 september 1858 kwam een dertigtal mannen het hospitaal binnengestormd. Hun leider was Ray Tompkins, wiens grootvader Daniël nog vice-president was geweest van de VS onder president Monroe. Nadat ze het personeel en de patiënten buiten hadden gezet, staken ze de meeste van de 20 hospitaal-gebouwen in brand. De vlammen waren te zien tot in Manhattan. De brandweer keek toe zonder in te grijpen met als excuus dat hun brandslangen  waren doorgesneden. Een patrouille van de haven-politie die was uitgerukt werd bekogeld met stenen. De stadspolitie daagde helemaal niet op. De volgende avond kwamen de vandalen terug om de resterende gebouwen in de fik te steken. De kranten beschreven het incident als de “Quarantine War”.

Slechts twee daders, waaronder Tompkins, moesten twee weken na de misdaad voor de rechter verschijnen op beschuldiging van brandstichting. Ze verklaarden dat ze hadden gehandeld uit zelfverdediging tegen het dreigend gevaar van besmetting. Hun borg werd betaald door Staten Islander Cornelius Vanderbilt, een spoorweg- en scheepsmagnaat die toen een van de tien rijkste mannen ter wereld was. De rechter, Henry Metcalfe, sprak de daders vrij. Dat verraste niemand. Hij woonde in de buurt van het Quarantine Hospitaal en had zich jarenlang verzet tegen de aanwezigheid ervan nadat iemand in zijn familie was overleden aan gele koorts.

Na het proces werd het quarantaine hospitaal heropend op een schip, de Florence Nightengale. In 1866 verhuisde het naar twee eilandjes voor de kust van Staten Island, Swinburne en Hoffman. Vandaag zijn de onbewoonde eilanden een paradijs voor zeehonden en vogels. In 1902 verhuisde het quarantaine hospitaal opnieuw, dit keer naar Ellis Island waar het onderdeel werd van het Immigrant Hospital. Dit hospitaal was een van de grootste openbare ziekenhuizen van het land. Het wordt tot op vandaag beschouwd als een van de belangrijkste initiatieven op gebied van volksgezondheid.

 

 

Posted in Staten Island | Tagged , , | Leave a comment

EEN TUIN IN NEW YORK

Volgens het New York Parks Department telt de stad 5,2 miljoen bomen. Enkele daarvan groeien tot mijn groot plezier in mijn prettig minimaal onderhouden tuin op 35 minuten van Wall Street. De tuinbeeldjes heb ik in de loop van de jaren gevonden op straat. In de badkuip die de vorige bewoners in de tuin hadden achtergelaten heeft mijn soulmate artiest Tom enkele gevonden objecten geparkeerd.


 





Posted in natuur, Staten Island | Tagged , | 1 Comment

VOORBIJ HARLEM

Fort Tryon Park

Het meest noordelijke stuk van Manhattan, ten noorden van Harlem, staat zelden op het verlanglijstje van toeristen. Toch zijn er zeer aangename en pittoreske stukken. Er zijn twee prachtige parken met adembenemende uitzichten op de Hudson en de George Washington-brug. In Fort Tryon park ligt een bekend museum: the Cloisters, een stemmig gebouw opgetrokken uit de ruines van Franse en Spaanse kloosters. Het is een afdeling van het Metropolitan Museum en huisvest een mooie collectie van Middeleeuwse kunst, waarvan vrij veel van Vlaamse makelij.

The Cloisters

Manhattan was een dicht bebost eiland toen de eerste blanke kolonisten er voet aan wal zetten. Sindsdien zijn de bossen er aan een snel tempo verdwenen. Alleen de noordpunt van het eiland werd ongemoeid gelaten. Die plaats heet nu Inwood Hill park en is het tweede grootste park van Manhattan. In tegenstelling tot het grootste, Central Park, ziet het er nog min of meer uit als in de tijd toen de Lenape-indianen er jaagden. Het was hier dat Hollanders Manhattan ‘kochten’ van de indianen voor het equivalent van 24 dollar. Er hangt nog een plaat in het park om dat commercieel sukses te gedenken. Het gebied rond het park bleef dun bevolkt tot de subway werd gebouwd. Daarna spoelde de ene immigrantengolf na de andere noordwaarts. Ieren, Grieken, joden. Vanaf de jaren 1950 werd de influx overwegend latino. Eerst Cubanen en Puertoricanen, dan Dominicanen die nu de meerderheid vormen in Inwood. De drukke hoofdstraten, Broadway en Dyckman, ogen exotisch. De winkels zijn er goedkoop maar niet alle winkelmeisjes kunnen je in het Engels bestellen.

In Inwood loopt de metro bovengronds

De latino’s van Inwood maken gretig gebruik van de weiden en speelvelden aan de ingang van het park. Op zonnige weekends zie je er honderden ravotten, voetbal en baseball spelen, barbecuen. Je hebt er, net als in Fort Tryon park,  een overweldigend uitzicht op de Harlem river, de brede Hudson en de kliffen en bossen aan de overkant in New Jersey.

Baseball in Inwood Hill Park

Maar de westelijke helft van het park blijft, naar stadse normen, verlaten. Je kunt er soms lang tussen de oude bomen wandelen zonder iemand tegen te komen. Er is een moeras. Er zijn ravijnen en grotten die zelden geexploreerd worden. Alleen daklozen zoeken in die laatste soms een onderkomen. Jimmy Jarvis woonde zes jaar in een van die grotten. Hij was een talentvolle musicus die na een crisis in zijn leven had beslist om zich terug te trekken. De nood aan mensen om zich heen deed hem uiteindelijk verhuizen naar een tehuis voor daklozen in Harlem. In een park in die buurt kreeg hij een kogel door het hoofd. Dader spoorloos. Het jaar was 1989. De misdaad was veel hoger toen. In het verlaten Inwood Hill park was Jarvis veiliger dan in Harlem.

In Inwood Hill park kun je je ver van de stad wanen

De enigen die de westkant van het park vaak gebruiken, zijn de joggers. In 2004 werd een van hen vermoord. De zaak kreeg veel aandacht omdat de moord overdag in een stadspark gebeurde en het slachtoffer een mooie blonde 20-jarige studente was aan de bekende Juillard-muziekschool. Ze was gewurgd. De dader had haar lijk naakt geposeerd in een rustende houding en er bloembladjes rond gestrooid. Hij werd nooit gevonden. Sindsdien zijn er geen moorden meer gebeurd in Inwood Hill Park. Er wordt meer gejogd dan ooit.

Inwood Hill park en de Henry Hudson-brug naar de Bronx

Posted in parken | Tagged , , | Leave a comment

TIJDMACHINE

Ik zou er veel om geven om met een tijdmachine te reizen naar het New York van voor de Europese kolonisatie. Zo’n machine bestaat helaas niet maar er is wel een website waar je kunt horen wat er toen te horen was. Een auditieve brug naar 400 jaar geleden toen Manhattan nog “Mannahatta” heette (‘eiland van vele heuvels’, in de taal van de Lenape-indianen).

De website, https://unsung.nyc/ , beschrijft in beeld en vooral in klank hoe vier bekende plekken in Manhattan toen waren: Collect Pond Park in downtown (waar toen een groot meer was), het populaire High Line park, het Museum of Natural History in de Upper West Side en Inwood Hill Park, het meest noordelijke punt van het eiland. Dit laatste park is de enige plek in New York waar nog bomen staan die al groeiden voor de kolonisten arriveerden. De site combineert audio met 360 graden-video, degelijke research met “geinformeerde speculatie”. Het plan is om andere soundscapes toe te voegen en er een ‘virtual reality’-ervaring van te maken (waarin je zelf in het landschap lijkt te zijn). We zijn benieuwd.

Inwood Hill Park

Posted in Downtown, Upper West Side | Tagged | Leave a comment

KLEURIGE MUREN

New Street Art in my New York neighborhood Stapleton, in Staten Island.




Posted in Kunst in NY, Staten Island, Straatbeelden | Tagged , , | 1 Comment

HET MEISJE ZONDER VREES

Er zijn meer dan duizend standbeelden in New York. Het bekendste is natuurlijk het Statue of Liberty maar dat staat op een eilandje in de baai. Het populairste beeld in de stad zelf is “the charging bull” (de chargerende stier) in Bowling Green, het oudste parkje van de stad, vlak bij Wall Street.  Toeristen zijn er dol op maar ook financiële makelaars wrijven wel eens over de blinkende ballen van het beest wat naar het schijnt geluk brengt op de beurs.

Het beeld symboliseert de vitaliteit van Wall Street. Het werd ontworpen door de Italiaanse kunstenaar Arturo Di Modica die in 1987 in het holst van de nacht, kort nadat de beurs een zware klap had gekregen, het 3,5 ton-wegende gevaarte voor het beursgebouw liet neerzetten. Hij had daarvoor geen toestemming gevraagd en de stier werd dan ook prompt verwijderd. Maar in de korte tijd dat het beest er stond, was het al erg geliefd geworden. Op vraag van velen besloot de stad de stier van stal te halen en in Bowling Green te installeren.

Sinds 7 maart heeft de stier gezelschap: een bronzen meisje van een jaar op tien staart hem uitdagend aan, vuistjes in de heupen.  Ook deze nieuwe aanwinst is een mega-sukses. “Fearless Girl” (“het onbevreesde meisje”) is ontworpen door Kristen Visbal en betaald door State Street Global Advisors, een financiële firma die dank zij de massale aandacht voor het beeldje een buitengewone reclamestunt scoort.

Voor dit beeld was wel toestemming gevraagd maar slechts voor enkele dagen. Het is intussen echter zo populair geworden dat de burgemeester beloofd heeft dat het minstens een jaar mag blijven.

Wie daar niet blij mee is, is Arturo Di Modica, de maker van de stier. Hij wil het meisje onmiddellijk weg en heeft alvast advocaten onder de arm genomen.  Hij heeft niets tegen het beeld op zich.  Volgens de firma die Fearless Girl bestelde, symboliseert het kind “the power of women in leadership” en dat vindt  Di Modica best. Maar door ze oog in oog te zetten met de stier, verandert de betekenis van zijn beeld.  “Ze valt de stier aan”, pruilt Di Modica, “ze beledigt mijn werk.” De stier, zo beweert hij, symboliseert “vrijheid, vrede, kracht, macht en liefde” en door dat meisje gaat die boodschap nu verloren.

Kracht en macht, okee maar vrede en liefde? Met de beste ter wereld zie ik die niet in dit bronzen monster. Doe niet kinderachtig Arturo. Als je een beeld maakt voor een openbare plaats moet je verdragen dat er reactie op komt. Het had erger gekund: een matador met een zwaard bijvoorbeeld, of een zakenvrouw in maatpak. Het eerste zou van je beeld kitsj hebben gemaakt, het tweede een karikatuur. Nee, het kleine meisje is perfect. Omdat ze tegenover de woeste kracht van de stier zo kwetsbaar lijkt. Dat maakt haar vastberadenheid  zo indrukwekkend. De juxtapositie doet een dramatische spanning ontstaan waarin de som meer is dan de twee delen. En daar zou ook Di Modica blij mee moeten zijn.

Posted in Downtown, Kunst in NY | Tagged , , , | Leave a comment